Mijn jeugd op de wieke
In Mei 1945 was de oorlog afgelopen en iedereen kon weer opgelucht ademhalen en vrijuit spreken en het leven begon zijn gewone gang weer te gaan. De oorlog had bij ons geen zichtbare sporen achtergelaten wij gingen weer naar school en vader vond weer werk bij een boer in De Krim en na scooltijd en "s avonds dan was er thuis genoeg te doen zo kweekten we voor eigen gebruik aardappelen en groenten want van een groenteboer een slager of een bakker hadden wij nog nooit gehoord ook een melkboer kenden we niet wij hadden een melkgeit die werd ook wel schertsent de arbeiderskoe genoemd maar aangezien we eingelijk te weinig weiland hadden had mijn vader hier iets op gevonden, tussen het land van Arend Pekel en Eibert Lip was een brede sloot die "s zomers helemaal droog was maar langs de schuine kanten groeide heerlijk mals gras dus liepen we te wandelen met de geit door de droge sloot.

Ook waren we onze eigen slager zo werden er in het voorjaar 2 biggen gekocht die werden dan grootgebracht met gekookte aardappelen en alles wat er in huis overbleef en in November (slachtmaand) werd de dikste eerst geslacht dan werd Klaas de Slachter (snippe) besprokendie kwam dan al vroeg de wijk affietsen met de bak op de nek en moeder had dan een grote tijl met kokend water klaarstaan, met een soort slagpen schoten ze het varken dood lieten het bloed er uitlopen wat weer nodig was voor de bloedworst dan rolden ze het varken in de grote bak en met behulp van het hete water werd het haar er afgeschrapt.
Als dat gebeurd was werd het varken op een ladder gelegd en werd het varken met de achterpoten vastgemaakt aan de kromstok en dan werd de ladder met varken met vereende krachten rechtop tegen de muur gezet als laatste werd het varken dan open gesneden om de ingewanden te verwijderen en te laten afsterven later op de avond kwamen de slachters nog even terug om het varken in porties te verdelen (afhouwen) dan was het verdere werk voor ons zoals het worst maken en het ophangen van het spek aan de zolder (wiemel) het tweede varken werd dan meestal in Februari geslacht.
 
Op de jeulenwijk hebben we leren zwemmen en schaatsen ook zat er veel vis in de wijk van kuikengaas maakten we een fuik we deden er een lange draad aan en gooiden hem dan midden in de wijk we zetten de fuik vast met een draad om hem makelijk weer binnen te kunnen halen dat was weer nodig want als de melkbok of de snikke voorbij kwamen dan vaarden ze de fuik kapot dus we lieten de fuik alleen "s nachts in het water liggen en als je hem dan "s morgens ophaalde zat er meestal een lekker maaltje vis in de fuik. De hengel lag ook altijd klaar voor gebruik dat was geen hengel zoals ze die tegenwoordig kennen nee we sneden een mooie hengelstok uit het bos tegenover ons huis die schilden we af en lieten hem drogen van mooi dun draad maakten we een snoer een plakje van een kurk met daar doorheen een pen van een kippenveer een haakje er aan en je kon vissen.
In de wijk zat ook vrij veel snoek dus gingen we ook regelmatig slepen dat deden we met een lang snoer en daaraan een lepeltje met een driehaak door te slepen ging het lepeltje dan heel snel ronddraaien waar we menig snoek mee gevangen hebben.Ik kan mij nog herinneren dat op 4 Juni 1949 stormde en regende dus ideaal weer om een tijdje te gaan snoeken nou ik ving dan ook die middag een kanjer van een snoek ik weet dit nog zo goed omdat die dag mijn zuster Femmie geboren is en de snoek had ik aan een balk in het achterhuis hangen en de zuster die mijn moeder verzorgde was bang voor de snoek en durfde er niet langs.
 
Ongeveer 200 meter bij ons vandaan woonde mijn Opa Stoffer Snippe ook in een boete vlak naast opa woonde oom Gerrit en daar weer tegenover aan de andere kant van de wijk woonde oome Willem en ja hoor het is echt waar allemaal in een boete, tussen oome Gerrit en opa stond een heel klein huisje daarin woonde kleine Greetie dat was een heel klein vrouwtje die door een ernstige ziekte helemaal misvormd was ze was dan ook niet groter dan één meter ze had een paadje tussendoor naar opa waar ze dan ook bijna de hele dag zat bij de fornuiskachel stond een klein stoeltje daar zat greetie altijd op en wij moesten het niet wagen om op haar stoel te gaan zitten wat we natuurlijk wel stiekem deden als we haar hoorden aankomen.
 
We leefden dus in een tijd zonder leidingwater en electra en van gas hadden nog nooit gehoord nee voor de verwarming stookten we turf en op die kachel kon je dan gelijk je eten koken, en het water dat haalden we gewoon uit de wijk in de wal hadden we een waterbank om makkelijk bij het water te komen het gebeurde wel eens dat moeder nog snel een paar emmers water moest putten want dan had ze de snikke op de pullebok aan zien
komen anders was het water de eerste uren te troebel.

Op een gegeven moment kocht mijn Vader een regenbak die haalden we per bok uit hoogeveen zo"n regenbak bestond uit 3 ringen van 1.50 m doorsnee en een meter hoog in de onderste ring zat een bodem daarop kwam de tweede ring en de laatste ring die er op kwam had vanboven een vierkant gat van 1x1 meter daarop kwam een betonnen huisje van één meter hoog met hierop een deksel.Van hout werden er goten gemaakt om het water op te vangen nog een pijp eraan en het wachten was op de regen. Voor de verlichting gebruikten we een petroliumlamp die aan een dikke spijker in het midden van de kamer aan de zolder hing en in het achter huis hing meestal een stormlantaarn welke je ook buiten kon gebruiken.